Het gemis van een bijna

Verdriet heeft een slechte naam. Peter dacht altijd dat verdriet louter uit negatieve ondertonen bestaat. Zoals pijn. Hartzeer. Of droefheid. Echter is er ook iets als mooi verdriet. Mooi verdriet is zacht en wordt omhelst door berusting en liefde.

Oneindige zomeravonden, glinsterende lichtjes in het water aan de Amsterdamse kade. Hoe nerveus ze beiden werden van te lang staren in elkaars ogen. Peter gelooft dat er ooit een vorm van liefde was. Weliswaar pril, kwetsbaar en heel voorzichtig. Desalniettemin was liefde aanwezig in dat plukje van vluchtige momenten. Het was echt.

Maar zoals dat een jonge vijgenboom niet kan overleven in de vorst, maakte deze prille liefde geen kans tegen muren die met de weken hoger werden gemetseld. Staken ze het vuurwerk te groots af? Stapten ze te vroeg in een sneltrein die harder raasde dan Wendy aankon? Vragen die Peter zichzelf heeft gesteld, maar inmiddels doen de antwoorden er niet meer toe. Bij dichte muren kun je slechts één richting verder en dat is rechtsomkeer maken. Natuurlijk wou hij dat hij de muren baksteen na baksteen kon laten afbrokkelen, maar ze zijn niet de zijne.

Na deze berusting blijft hij achter met mooi verdriet. Een troostend verdriet waarbij hij nog steeds om haar geeft en de ‘had kunnen zijn’ zal missen. Het gemis van de bijna zal met de tijd wel kleiner worden. Ze zijn nooit zo ver gekomen tot Kodak-plaatjes of andere tastbare aandenkens, dus soms spelen scènes van hun samenzijn zich af als een film in zijn hoofd. De enige plek waar de laatste flikkering van zijn tijd met Wendy terug te vinden is. Toch zullen ook de echo’s van die herinneringen op een dag uit zijn gedachten vervagen.

Alles wat er dan nog overblijft, is een afgesloten hoofdstuk dat nooit heeft bestaan.

Onkruid van haar jeugd

Met je handen in je zakken loop je nonchalant de koffietent binnen. Er staat een korte rij. Je werpt een blik op je telefoon tijdens het wachten en groet het kassameisje wanneer je aan de beurt bent. Koffie zwart met suiker. Om mee te nemen. Het meisje lacht om iets wat je zegt. Ik zit achterin, verscholen achter de volle krantenrek. Te ver om het gesprek te horen, maar dichtbij genoeg om te zien dat het beginnende snorretje van gisteren er vandaag weer af is geschoren. Ik ken je routine. Elke ochtend kom je hier en elke ochtend bestel je hetzelfde. Soms neem je er een croissant bij, wanneer je die dag niet hebt ontbeten. Ik zie je al maanden, maar jij merkt mijn aanwezigheid nooit op. Ik kijk hoe je een eerste slok van je koffie neemt. Met de hete kartonnen beker loop je de zaak weer uit. Ik neem mezelf voor dat ik niet altijd kan blijven toekijken vanaf een afstand. Binnenkort spreek ik je aan.

Ik sta op een feestje in een overvol huis. Ergens schalt er muziek uit de speakers, maar deze wordt overstemd door luidkeelse gesprekken en spelende kinderen. Er wordt tegen me gepraat over de nieuwste bioscoopfilm en ik pretendeer te luisteren. Om de zoveel zinnen knik ik instemmend op de automatische piloot. Mijn aandacht is bij jou. Vanuit mijn hoek kan ik je net zien door de deuropening van de tuin. Je zit op gestapelde bierkratten, sigaret in de ene hand en whisky in de andere. Een dame komt naar je toe lopen. Je drukt je sigaret uit om haar te ontvangen. Ik ken haar ook. Het is jouw vrouw. Je gezicht licht op wanneer je haar naar je toe trekt. Ik zie jullie knuffelen. Ze fluistert in jouw oor, ze wil weten of je klaar bent om naar huis te gaan. Je trekt jouw jas aan en hand in hand verlaten jullie het feest. Ik blijf nog lange tijd op dezelfde plek staan, niet merkend dat er allang niemand meer tegen me praat, terwijl ik eenzaam voor me uit staar.

Het is twaalf uur op een schoolplein. Vaders en moeders staan klaar voor de ingang om hun kinderen op te halen. Jullie staan er ook. De grote, zware deuren zwaaien open en de eerste klas loopt braaf in een rij naar buiten. Snel volgen andere groepen en middenin de wirwar van zoekende kindergezichtjes staat jullie kleuter. Met haar olifantenrugzakje rent ze naar je toe. Je tilt haar op en met z’n drieën lopen jullie terug naar de auto. Het perfecte plaatje: vader, moeder, kind. Het laat me walgen. Jij mag niet met hun zijn. Maar je bent zo verslonden in jouw eigen geluk, dat je de starende ogen van een buitenstaander nooit opmerkt. Je ziet mij nog steeds niet. Het geeft niet. Binnenkort ben je van mij.

Vandaag ben je alleen thuis. Vrouw is naar werk en dochter zit op school. Ik zie jouw silhouet groter worden door het troebele glas van de voordeur nadat ik aanbel. Je doet open. Ik vraag of ik binnen mag komen. “Natuurlijk” is jouw antwoord, “wat een verrassing om je zomaar te zien. Je bent al een tijd niet meer langs geweest, zusje.” Dat klopt, grote broer. Ik heb geprobeerd jou te vermijden, in de ijdele hoop dat de pijn vanzelf zou krimpen. Inmiddels heb ik geleerd dat onkruid alleen maar groeit wanneer het wordt genegeerd. Lieve broer, zeg het me. Dacht je echt dat ik er nooit achter zou komen? Groot is jouw verbazing wanneer ik je confronteer. Ze is zeven. Ik vertrouwde jou. Je scheurde haar jeugd kapot toen je haar onschuld voor het leven beschadigde. Ik zie alle kleuren van je weg trekken. De witte muren om ons heen, de muren die ik heb helpen verven bij jouw verhuizing, hebben dezelfde teint als jouw verschrikte gezicht. Je ontkent niet. Zwijgend staar je naar de grond. We weten allebei wat nu gaat gebeuren. Met verdoofde emoties ruk ik in één keer alle kwade wortels eruit. Wit verandert in donkerrood.

Ik kom thuis. Zachtjes sluit ik de deur achter me. Het is inmiddels avond, ze ligt al in bed. Ik strijk neer op haar bed, terwijl ze in diepe slaap ergens ver weg is. Hopelijk droomt ze van een plek waar pastelkleurige wolken de hemel sieren en waar teddyberen alle monsters de toegang ontzeggen. Ik streel haar kleine hoofd. Het spijt me dat ik jou al die tijd met hem alleen heb gelaten. Het spijt me dat ik er niet was. Ik heb je gefaald. Mijn ademhaling steekt als duizenden naalden wanneer ik denk aan alle angsten dat zij heeft geleden. Het verleden kan niet ongedaan worden gemaakt, maar we kunnen samen proberen om stap voor stap en trede voor trede uit de duisternis te klimmen. Hij kan je nu geen pijn meer doen, fluister ik en een verlichte golf van opluchting blaast door me heen. Voor het eerst sinds lange tijd haal ik adem zonder naalden.

Niet de regen, maar de drup

De kinderen zijn net naar school vertrokken wanneer de deurbel gaat. Daar zal je haar hebben, denkt Saar en ze gooit snel nog alle vuile vaat in de gootsteen. Haastend loopt ze naar de voordeur en zwaait deze open. Josephine staat op de stoep en kijkt haar opgewekt aan. De twee begroeten elkaar in een omhelzing zoals alleen oude vrienden dat kunnen. Het is zes jaar geleden sinds ze elkaar voor het laatst zagen. Inmiddels is Josephine drie keer van continent verhuisd en heeft Saar er een tweede zoon bij. ‘Kom binnen’ zegt Saar, ‘ik wil alles horen over wat je de afgelopen tijd hebt uitgespookt.’

Terwijl Josephine honderduit praat over haar promotie en turbulente leven van feestjes en vervlogen liefdes, roert Saar zachtjes in een koud wordende koffie en bestudeert ze onbewust de nuances in het gezicht van haar succesvolle vriendin. Josephine heeft nog altijd dezelfde levenslust en ongeremde energie sinds de middelbare school. Tijd lijkt geen grip te hebben op haar. Saar kan zich nu maar moeilijk voorstellen dat zij en Josephine in hun jonge jaren niet van elkaar te onderscheiden waren. Ooit hadden zij dezelfde ambities en zouden ze die samen najagen. Voor een van hen is dat anders gelopen. ‘Sorry, ik blijf maar door ratelen over mezelf’ zegt Josephine lachend. ‘Hoe is het nou met jou?’ Precies de vraag waar Saar tegenop kijkt. Hoe leuk het ook is om Josephine weer te zien, hoe confronterend het tegelijk is om te realiseren dat zij zelf niet zoveel te vertellen heeft. Ze is nog steeds met dezelfde man die nog steeds bij zijn vader werkt; ze wonen nog steeds in hetzelfde huis; en ze is nog steeds fulltime moeder. Waar Josephine al op haar 18e uitvloog naar de grote stad, is Saar nooit vertrokken uit hun geboortedorp waar je een half uur moet fietsen voor de dichtstbijzijnde supermarkt. Een groter contrast is er niet. ‘Alles gaat zijn gangetje.’ Een korte stilte valt. ‘Ik maak niet zoveel spannende dingen mee als jij’ zegt Saar bijna verontschuldigend. ‘Mijn leven is best saai, al helemaal vergeleken met die van jou en je geweldige baan.’ De baan die ik ook had willen hebben, denkt ze stiekem. Josephine fronst: ‘je hebt een prachtig gezin en een liefdevolle relatie. Er zijn zoveel mensen op zoek naar wat jij hebt.’ Saar zucht en slaat haar ogen moedeloos neer. ‘Dat zal best zo zijn.’
‘Maar?’
‘Kijk, ik heb absoluut geen spijt van dat ik destijds de baby heb gehouden. Alleen vraag ik me soms af wat ik had kunnen bereiken. Jij bent de wijde wereld in getrokken, zag woestijnen en regenwouden, verruilt het ene avontuur voor een andere sprong in het diepe. Ik ben gebleven en heb alleen maar het gras in mijn voortuin zien groeien.’
Josephine glimlacht. ‘En daar is helemaal niets mis mee. Kijk nou wat voor moois je hebt opgebouwd deze jaren’, ze knikt naar de uitvergrote foto boven de haard. In zwartwit lachen Saar, haar man en hun zoontjes de camera tegemoet.
‘Je doet het hartstikke goed op jouw manier.’
‘Ik ben wel oprecht blij dat alles zo voor jou is gelopen, Fien.’
Met die gemeende woorden sloot Saar haar frustratie voorlopig weer op in een verre achterkamer van haar hoofd. De rest van de middag halen de vriendinnen schaterlachend jeugdherinneringen op totdat het tijd is voor Josephine om haar vlucht te halen. Met dezelfde innige omhelzing als in de ochtend nemen ze afscheid en beloven ze elkaar vaker op te zoeken. Beiden gaan weer terug naar hun eigen leven. Die avond zit Saar in bed met laptop op schoot. Haar man ligt ernaast en leest een boek. ‘Hoe was het met Josephine vandaag?’ vraagt hij zonder zijn blik af te wenden. ‘Gezellig, we hebben flink bijgepraat. Het was goed om haar te zien’ antwoordt Saar, terwijl ze klikt op de inschrijfpagina van een thuisstudie.

Josephine kijkt door het glas van de wachtruimte naar de Boeing 787. Over een half uur kan ze instappen. Het voelt altijd een beetje gek als je na lange tijd weer terug bent in de oude straten van je kinderjaren, maar het was leuk om Saar weer te zien. Wat moet het toch fijn zijn als je zo’n warm nest zelf hebt opgebouwd. Ze kijkt nu al tegenop het moment om straks terug te komen in een leeg appartement. Om in slaap te vallen met stilte en wakker te worden met eenzaamheid. Een binnenkomend sms weekt haar los van haar troosteloze gedachten. ‘Wat doe je vanavond?’ De zoveelste luchtige uitnodiging dat waarschijnlijk weer uitmondt in een kortstondige romance zonder betekenis. Josephine denkt aan het familieportret van Saar dat in hun woonkamer hangt. Ze stuurt terug: ‘ik ga kijken hoe het gras groeit.’

 

De rat en de eekhoorn

Het is een frisse herfstochtend in het bos. Drie mussen kijken vanaf een boom geamuseerd toe hoe een rat tevergeefs naar eten zoekt. Hij snuffelt onder de struiken en wroet de aarde onder het gras vandaan, maar met weinig succes. Schaterlachend vliegen de mussen weg. De tak waar ze op stonden wiegt zachtjes op en neer wanneer ze opstijgen en door de beweging valt een druppel van de ochtenddauw op het spitse snuitje van de rat. Hij heeft het onaardige gelach van die mussen wel gehoord, maar hij is te gefixeerd op overleven. Vastberaden snuffelt hij tussen de dorre bladeren, op zoek naar kruimels of misschien –als hij geluk heeft- stukjes pinda’s die eekhoorns soms laten liggen.

“Wat ben jij aan het doen?”
De rat kijkt schichtig op. Hij is het niet gewend dat hij wordt aangesproken. Misschien was het wel zijn verbeelding, want hij ziet niemand om zich heen en snuffelt weer verder.
“Hey, hallo daar. Wat doe je?” klinkt dezelfde stem. Dan ziet hij een dikke pluimstaart van tak naar tak lager springen totdat deze vlak voor hem landt. Een kleine eekhoorn met buitenproportioneel dikke staart kijkt hem nieuwsgierig aan. “Zoek je een schat?” vraagt de eekhoorn. De rat, die al twee dagen zijn maag niet heeft kunnen vullen, heeft geen zin in pesterijen. Hij doet net alsof hij de eekhoorn niet hoort en draait een andere kant op. De eekhoorn springt weer voor zijn gezichtsveld. “Als je een schat zoekt, wil ik ook mee spelen!” De rat zucht ongeduldig. “Ik zoek eten”, bijt hij de eekhoorn toe, in de hoop nu met rust te worden gelaten. De eekhoorn is verbaasd. Er is meestal wel eten in overvloed in het bos, zelf heeft hij er nooit naar hoeven te zoeken. “Waarom wacht je niet totdat het middag wordt? Dan komen de wandelaars en ze nemen altijd wel oud brood of nootjes mee.” De rat stopt met snuffelen en hij kijkt het ronde gezichtje van de eekhoorn aan. Verrek, dat rare knaagdier meent het nog serieus ook, denkt de rat. “Zo werkt het niet voor mij”, antwoordt hij kortaf.
“Waarom niet?”
“Omdat. Ik er niet zo uitzie als jij”, zegt de rat terwijl hij zittend tegen een boomstam aanleunt. Hij voelt nu pas hoe vermoeid zijn magere lijfje eigenlijk is. Het afgelopen etmaal heeft hij bijna onafgebroken het bos doorgekamd op zoek naar voedsel. Vrolijk en zich nog steeds van geen kwaad bewust komt de eekhoorn naast de rat zitten.

“Wat bedoel je met je ziet er niet zo uit als ik? We zijn toch allebei dieren?”
“Ik ben een rat. Jij bent een eekhoorn. Als mensen mij zien, rennen ze meestal gillend weg. Als mensen jou zien, komen ze juist dichter naar je toe. Al het eten dat ze meenemen, is voor jou bedoeld. Ik mag van geluk spreken als ik daarvan een restje kan vinden.”
“Maar waarom doen mensen zo lelijk tegen jou? Jij bent toch ook gewoon een bewoner van dit bos?”
“Omdat ze allemaal hetzelfde beeld hebben over ratten. Ze vinden ons vies zijn en ze denken dat we altijd bijten. Alleen omdat ik er uitzie zoals dit..”, de rat gebaart naar zijn snuit en staart, “..zijn mensen direct bang voor me. Ook al heb ik niks gedaan.”
“Dat is niet eerlijk.”
“Ach. Ik ben het gewend. Het is ooit lang geleden begonnen met een paar ratten die het slechte voorbeeld gaven en sindsdien lijdt de rest eronder. Ik heb inmiddels geaccepteerd dat hoe vaak ik mijn best ook doe, iedereen eerst de rat in mij ziet en daarna pas wat eronder zit.”
“Je praat wel heel negatief.”
“Het is mijn realiteit. Ratten worden geboren in het riool en zullen hun leven lang op de koude grond moeten leven. Terwijl jullie met alle gemak in de bomen wonen.”
“Maar ik heb een buurvrouw rat die al jaren naast mij in de oude beuk woont.”
“Er is inderdaad een handjevol ratten die het ver hebben geschopt. Maar jouw buurvrouw moest veel harder werken dan jij om daar te komen. Wat voor jou vanzelfsprekendheid is, is voor ons een strijd. Dat is iets wat jij nooit zal snappen.”

De eekhoorn begint lichtjes geïrriteerd te raken. Hij vindt de rat eenzijdig van mening en zijn woorden klinken bijna beschuldigend naar de eekhoorn toe. Het is waar dat de eekhoorn geboren is in een mooi nest op de hoogste takken, maar ook hij moet werken voor zijn bestaan. Het is alsof de rat al automatisch uitgaat van een verwende opvoeding en comfortabel leven, alleen maar omdat hij toevallig een eekhoorn is. Alleen maar omdat ik toevallig een eekhoorn ben. De eekhoorn denkt na. Is dit hoe het voelt? Anderen die bij het eerste aanblik al hun mening over jou klaar hebben? Wat moet hij zich geïsoleerd hebben gevoeld, zijn leven lang gevangen in het web van andermans oordelen. Het is waar, de ene rat is de andere niet. Evengoed geldt dat de ene eekhoorn de andere niet is.

“Je hebt gelijk. Ik zal nooit volledig kunnen begrijpen wat jij doormaakt, maar ik wil wel luisteren en leren. Is er iets wat ik kan doen om te helpen?”
Niemand kan dit verhelpen, denkt de rat bedroeft. Hoe verander je immers een systeem van verdelingen dat al voor eeuwenlang de sociale hiërarchie bepaalt? Maar de rat weet ook dat deze neerwaartse mentaliteit niet helpt. En in die grote bruine ogen van de eekhoorn meent hij een oprechtheid te zien, iets wat hij de laatste jaren niet meer is tegengekomen. Wie weet… als iedereen zich meer zou openstellen -net als deze naïeve, maar goedbedoelde eekhoorn- zou de wereld misschien toch een betere plek kunnen worden?

“Ik heb het antwoord niet. Maar bedankt dat je doorvraagt en wilt luisteren. Dat betekent veel”, zegt de rat. Zwijgend blijven de dieren een poos naast elkaar zitten. Dan staat de eekhoorn op: “Ik begin honger te krijgen. Heb je zin in verse walnoten? Er is genoeg in mijn huis.” Nog voordat de rat kon reageren, antwoordde zijn maag al voor hem met de zoveelste knor. “Zelfs als je mij nu beschimmeld afval aanbiedt, zou ik nog ja zeggen”, mompelt de rat.
“Mijn vriend”, de eekhoorn pakt de rat bij zijn pootje, “jij hoeft nooit meer afval te eten.” Opgewekt klommen de twee nieuwe kameraden samen de hoge beukenboom in.

Wachten op de lente

[Geschreven in samenwerking met Wouter Slob] 

September. De zon gleed zachtjes naar het randje van de hemel. Het was een mooie herfstavond met weinig wolken in de lucht. De avond naderde en het werd tijd voor mij om naar huis te gaan. Ik en zij liepen samen naar de bushalte. Wij waren verliefd en onze handen waren zo sterk verbonden met elkaar dat het bijna tot één lichaamsdeel zou kunnen versmelten. De wereld lachte ons toe, maar dat alles verbleekte met het heldere lachen van haar. De wind blies in onze rug en hoog boven de lucht vlogen de avondvogels ons voorbij. Wij waren niets minder: net zo onafscheidelijk en ook net zo vrij om te gaan waar we wilden. Ik fluisterde dat ik van haar hield en kreeg als reactie een zacht, verlegen kusje terug op mijn wang. Zij was iemand die ik vast kon houden en beschermen. Niemand zou haar nog kwaad kunnen doen. Voor mij was zij de enige, de anderen zouden misschien slechts een spelletje met haar spelen. Andere jongens, die haar evenveel wilden als ik, maar die haar niet zomaar zouden krijgen. Niet als het aan mij lag. Ik zou al mijn energie steken in haar, zodat ze alleen nog mij zou zien en voor mij zou kiezen. Alle andere jongens zouden verbleken en vergaan, net zoals de bladeren op de grond en de laatste zonnestralen.

De tijd verstreek en de winter brak aan. De zomer en herfst waren voorbij en daarmee ging ook een groot deel van de warmte verloren. Er waren meer problemen en onbegrip dan eerst. Misschien kwam dat door de kou of doordat de dagen donkerder werden. Onze liefde, die eerst als een trein liep, had nu vierkante wielen. De ruzies hielden niet op en het werd elke keer erger. Ik probeerde haar alles te geven als ze maar wou, maar het was nooit genoeg. Waarschijnlijk was ik niet genoeg. Toch deed ik mijn best, ook al twijfelde ik of ze het wel zag. Zou er misschien een ander zijn? Ik maakte mezelf gek, maar ik kon haar niet loslaten, dus ik bleef altijd bellen. Desnoods de hele nacht door, tot ik haar stem weer kon horen. Alles zou wel beter worden, uiteindelijk. Maar ik wist niet wat er voor veranderd moest worden.

Toen de winter op zijn koudst was, verdween de hoop op betere tijden. De lente leek nu zo ver weg. Het was iets wat we niet meer samen konden halen, hoe graag ik het ook wilde. Ze lag tegen me aan op de bank. Ik nam dit laatste moment zoveel mogelijk in me op, elk detail wilde ik onthouden: haar geur, de warmte van haar huid, haar ademhaling. Mijn einde naderde. De lente was geweest, met al haar mooie momenten. De eerste keer dat ik haar zichtbaar nerveus aansprak, na maanden van moed verzamelen. Hoe aandoenlijk ze in haar slaap praatte. Onze vaste filmavonden op zondag en hoe we na felle discussies toch altijd eindigden met de titel van haar keus, wat ik eigenlijk nooit erg vond. Ik gaf haar altijd haar zin. Het leek alsof de tijd versneld was gegaan en alle herinneringen slechts dromen geweest waren. Ik verlangde ernaar om weer terug te kunnen gaan naar die dromen, toen ik me veilig voelde. Nu voelde ik me alleen en gebroken, ook al was ze nog steeds bij me. Ik hield haar zo stevig vast als ik kon, alsof ik ermee wilde uitdrukken hoeveel ik van haar hield en haar niet los wilde laten. Ik kon dit niemand anders verwijten, behalve mezelf. Spijt en wrok vulden me vanbinnen, wetend dat ik haar dit keer voorgoed kwijt was.

De cirkel werd niet rond gemaakt en de lente begon niet meer voor ons. De lente had zo veel kunnen betekenen en alles goed kunnen maken, maar zonder cirkel kan niets blijven rollen. Toch bleef ik liggen, alleen, en ik wachtte. Op haar en de lente.

Eenzaamheid onder water

Een gewapende achtervolging. Het huwelijk van de Zweedse kroonprinses. IJskoude bierflessen. Buren die ruziën over een heg. Verzonken in zijn versleten fauteuil springt Felipe van de ene zender naar de volgende. “Er is tegenwoordig niks fatsoenlijks op tv”, mompelt hij in zichzelf. Onrealistisch aantrekkelijke dokters die een spoedoperatie uitvoeren. Vijf vrienden in een bar. Felipe blijft hangen in die bar. Hij herkent de gezichten, maar hij herkent vooral die verschrikkelijke lachband. Het is het soort serie dat al decennia geleden is gestopt, maar toch tot in de eeuwigheid herhaald zal worden. Zijn dochter keek er altijd naar. Felipe vraagt zich af wat ze nu aan het doen is. Vandaag is haar verjaardag en hoe hard hij het ook ontkent aan zichzelf- hij had erbij willen zijn. Dat hij deze en vele andere avonden alleen thuis spendeert, komt door een beslissing die Felipe zeventien jaar geleden resoluut maakte. Toch, ondanks het gemis, er is geen grijze haar op zijn hoofd dat ook maar overweegt om daarvan terug te komen.

Iets in de huiskamer zoemt. Felipe hijst zichzelf uit de fauteuil en zoekt in de richting van het geluid. Hij vindt zijn telefoon onder een stapel oude kranten. Het is Claudette.
“Hoi pap. Ik dacht aan je. Hoe gaat het?”
“Het gaat prima met mij. Moet jij nu niet heel druk zijn met feestvieren”, zegt Felipe.
“Ach ze kunnen wel even zonder mij. Sterker nog, Edmond is net begonnen met zijn Celine Dion imitatie dus volgens mij word ik niet eens gemist.”
“Doet Edmond dat nog steeds?”
“Ja. Op elk feest.”
Er volgt een korte stilte. Felipe weet dat Claudette erachter zou willen zeggen: ‘als je weer eens kwam, zou je het weten’, maar ze is te rationeel om verwijten te maken.
“Luister Claudette, ik…”
“Het maakt echt niet uit, pap. Tis maar een verjaardag.”
“We kunnen elkaar altijd op andere momenten zien toch.”
“Ja.”
“Anders kom ik na kerst langs.”
“Oke.”
“En dan vieren we direct de verjaardag van Remi, want die wordt alweer vijf hè in januari?”
“Dus je blijft dit echt nog altijd volhouden.”
Felipe is verbaasd door de scherpe toon van zijn dochter.
“Ik dacht dat je net zei dat het je niet uitmaakte?”
“Mijn verjaardag niet nee. Maar die van Remi? Jouw kleinzoon begint me steeds vaker te vragen waarom opa nooit komt wanneer de rest van de familie er wel is. Ik weet niet wat ik hem moet vertellen.”
“Je weet dondersgoed waarom het zo is gelopen. Ik ga mijn standpunt niet aanpassen omwille van de mening van een kind.”
“Welk standpunt? Dat je jezelf isoleert van iedereen? Pa, je hebt mij opgevoed dat familie altijd op de eerste plaats komt, maar zelf woon je nu alleen en ik ben de enige waar je nog contact mee hebt!”
“Familie komt ook op de eerste plaats!” briest Felipe. Zijn hart begint sneller te kloppen door de woede uit het verleden. “Maar ik kan mij niet meer vinden in deze laffe familie sinds jullie partij kozen voor dat mens.”
“Het is bijna twintig jaar geleden”, fluistert Claudette, “en je hebt het nog steeds geen plek gegeven.”
“Bijna twintig jaar! Alsof pijn een houdbaarheidsdatum heeft! Ik zal nooit snappen waarom jullie haar nog toelaten in jullie levens, het is alsof Gabriel nooit heeft bestaan, alsof jullie vergeten zijn wat er is gebeurd, dat mens had vier keer de toegestane promille, zij had degene moeten zijn die stierf-” Felipe raakt buiten adem door zijn oncontroleerbare woordenstroom. De oude wond is wederom open gebarsten tot een gapend gat, maar eigenlijk heeft het zeventien jaar lang nooit de kans gehad om te helen.
“Pa, mama heeft er zoveel spijt van…”
“Zolang zij er is, zal je mij nooit zien”, bijt Felipe haar toe. “Ik vraag jou dit: moeten wij het ongeluk maar goedpraten, zodat zij verder mag leven zonder enig consequenties?”
Het blijft lange tijd stil aan de andere kant van de lijn.
“Nee”, geeft Claudette uiteindelijk toe. “Maar we moeten verder. Ik heb gekozen om mama te vergeven. Jij maakt het voor jezelf zo zwaar, papa. Ik hoor het nog steeds in je stem. Ik zie het in de schaduwen van je ogen. De gewichten van wrok en haat werken als ankers die je omlaag trekken. Je gaat eraan onderdoor, ik maak me zorgen om je. Laat alsjeblieft die ankers los.” Een kleine trilling schiet door haar normaal zo kalme stem. “Je gaat hier Gabriel niet mee terug krijgen.”
“Ik zal dat mens nooit vergeven”, houdt Felipe vast, wetende dat hij zijn dochter teleurstelt. Hij vraagt zich af hoeveel van zulke telefoongesprekken nog zullen komen voordat Claudette helemaal stopt met bellen. Want dat is wat er uiteindelijk zal gebeuren. Zo is het immers al gegaan bij alle anderen: een voor een ebden ze langzaam weg en bij elk verloren contact zonk Felipe steeds verder weg. De ankers die Claudette noemde zijn Felipe ijzeren metgezellen geworden, de enige troost die hij nog kent.

Felipe legt de telefoon neer. De vijf vrienden zitten nog steeds in de bar. Geforceerde lachkreten uit de tv galmen door zijn lege, stille huis. “Ik verdrink nog liever. Al wordt het mijn dood”, sist Felipe verbeten. Hij gaat weer zitten in zijn fauteuil. Grazende buffels op de Afrikaanse savanne. Een recept voor pudding. Babyluiers die de hele nacht goed blijven zitten. Applaus voor de straatmuzikant in een zangwedstrijd. 

De componist die verdwaald was

Een tweekoppig monster verspert de weg. Achter het bevindt zich de ingang van een lange tunnel waarvan niemand weet waar hij eindigt. Ik moet naar de tunnel, maar zolang het reusachtig beest er staat durf ik de laatste meters niet af te leggen. Brullend laat het zijn grote hoektanden zien en ik deins terug. Twijfels slaan voor de zoveelste keer toe. Misschien is het beter om rechtsomkeert te maken, teruggaan naar waar het veilig is. Naar de plek van comfort en waar nooit iets onverwachts gebeurt. Is dat niet fijner?

Ik was een jaar of acht toen mijn zus voor het eerst thuiskwam van de bibliotheek met een kinderboek voor mij. Niet lang daarna hing ik zelf steevast rond in mijn nieuwe toevluchtsoord. Middagen lang bevond ik mij tussen eindeloze boekenplanken waar zoveel verschillende werelden en karakters in opgeborgen zaten. Goede schrijvers zijn woordentovenaars die onopvallend je hoofd in sluipen en je bij de hand nemen mee naar een ander leven. Dat wilde ik ook kunnen, ik wilde ook verhalen maken. Al snel begon ik te schrijven en ik vond het heerlijk. Een toetsenbord verschilt in wezen niet veel van een piano: wanneer je piano speelt, combineer je klanken met elkaar zodat deze tot één vloeiend lied samen komen. Als ik schrijf, zie ik de letters dansen en de leestekens neuriën mee. Het zijn stille noten die symfonisch bij elkaar worden gebracht. Ik was de regisseur van mijn eigen liederen.

Jaren verstreken, ik werd ouder en schreef steeds minder voor mezelf. Het was niet zozeer een kwestie van uit het oog verloren, want ik keek nog altijd bewonderend naar etalages van boekwinkels, dromend dat ooit daar een roman zou staan met mijn naam erop. Voor werk schreef ik hier en daar nog wel een artikel of zakelijke tekst. Maar de letters dansten niet meer. Ik miste het componeren en moest terug naar de basis. Terug naar waarom ik ooit was begonnen en mezelf weer laten meevoeren in de georganiseerde orkanen van woorden.

Ik heb lang genoeg rondgedwaald zonder verder te durven. Het is gedaan met het wegvluchten. Vastberaden loop ik recht op het tweekoppig monster af. Met elke stap dichterbij lijkt het kleiner te worden. Wanneer we oog in oog staan, zie ik dat we inmiddels even groot zijn. Het is nog maar een schim van de grote dreiging dat het eerst was. Plots overvalt mij een gevoel van herkenbaarheid. Het monster is niemand anders dan ikzelf, vermomd onder een deken van doemdenken en begeleid door uitstelgedrag en faalangst als twee slechte raadgevers. Heb ik door dit mijzelf al die jaren tegengehouden? Alsof het mijn gedachten kon horen, knikken beide koppen en met een laatste grom lost het monster op in het niets. De weg is eindelijk vrij. Triomfantelijk vervolg ik mijn pad en kom al snel aan bij de donkere ingang. Het monster was nog maar het begin. De tunnel is lang, onvoorspelbaar en vol kronkels. Er zullen tegenslagen komen. Maar ik weet dat ik niet meer ga omkeren. Na lange tijd heb ik mijn muzieknoten weer gevonden en zolang ik ze mee draag, zullen de kleine dansers mij de weg wijzen.

En ik begin te lopen.

Van Nederlandse amateur tot voetballegende in Vietnam

[Dit interview schreef ik in 2016 voor Next Generasian News]

Danny van Bakel. In Nederland doet zijn naam niet direct een belletje rinkelen, maar in het verre Vietnam is deze Brabander een ware voetbalheld. Dankzij zijn goede prestaties op het veld en afwijkende verschijning (een boomlange Nederlander in een elftal van voornamelijk Aziatische spelers) viel Danny vanaf het begin al gelijk op bij de supporters. Tegenwoordig raken ook de Vietnamese bladen niet uitgepraat over hem en zijn verloofde, de Vietnamese Myno Nguyen. Dat Myno zelf ook haar eigen fanbase heeft -ze is dj- zal ongetwijfeld hebben bijgedragen aan de sterrenstatus van dit high-profile koppel. Danny blijft er zelf tamelijk nuchter onder: “Ik ben eigenlijk maar een hele simpele verdediger.”

In een café met panoramisch uitzicht over Amsterdam zit ik tegenover Danny van Bakel en de mooie dj Myno. De kersverse ouders zijn met het gezin even in Nederland om tijd te spenderen met familie, baby David is vandaag in Geldrop gebleven bij Danny’s grootouders. Een tikkeltje apart communiceren was het wel: omdat beiden elkaars moedertaal niet spreken, schakelde ik continu tussen Nederlands en Vietnamees (dit zijn van die momenten waar tweetalig te zijn opgevoed erg goed van pas komt). Wanneer ze zich tot elkaar richten, merk ik dat ze –heel schattig- met z’n tweeën een eigen taaltje hebben: Engels met hier en daar Nederlandse en Vietnamese woordjes. Het mag duidelijk zijn dat Danny en Myno elkaar helemaal hebben gevonden, terwijl dat een paar jaar geleden nog zo ondenkbaar leek. Want, hoe komt een Brabantse voetballer nou in Vietnam terecht?

Danny: “Van mijn achttiende tot twintigste voetbalde ik semiprof in België. Maar in die jaren ging ik veel te vaak op stap en had ik een slechte naam voor mezelf opgebouwd. Omdat ik mijn imago zo verprutst had, kon ik niet meer bij goede clubs terecht. Op een dag werd ik door mijn manager benaderd met de vraag of ik zin had in Vietnam. Aanvankelijk was ik daar best sceptisch over: ik was al een keer in Iran op voetbalstage geweest en dat bleek achteraf een verkeerde keuze. De mensen waren er heel vriendelijk – ik denk dat ik daar de aardigste mensen hebt ontmoet-, maar het leven was daar niet zo goed geregeld en we zaten ook nog midden in de woestijn. Ik miste mijn vrienden. Toch bleef mijn manager proberen om me overhalen. “Vietnam is heel anders dan Iran, het is echt leuk, moet je doen” en na heel lang nadenken besloot ik om toch maar een sprong in het diepe te nemen.”

Danny zou drie dagen trainen in de hoofdstad, Ho Chi Minh, om te acclimatiseren en zou daarna naar een club worden gestuurd voor voetbalstage. Die eerste drie dagen trainen gingen hem redelijk goed af, al had hij moeite met het warme klimaat. Na deze letterlijke warming up werd hij gelijk naar Binh Duong gestuurd, de grootste voetbalclub in Vietnam (het Chelsea van Vietnam, zo noemt Danny het). Eenmaal daar aangekomen wachtte hem een grote domper. Danny: “De spelers en dan vooral de stagespelers behandelen ze daar echt als varkens. In het clubhuis sliepen we met zijn vieren op een oud, vies matras op één kamertje. Dooie insecten waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden lagen op de grond. Ik had direct spijt van dat ik naar Vietnam was gegaan. De moed zakte me in de schoenen en ik belde mijn manager om te zeggen dat dit echt niet kon. Ik probeerde wel nog door te zetten: van een oud shirt maakte ik een kussen, maar zodra ik ging liggen, voelde ik al gelijk jeuk over m’n lichaam. Dus op eigen initiatief ben ik teruggegaan naar Ho Chi Minh: ik pakte een taxi en ging naar mijn manager die daar in een hotel verbleef. Ik maakte aan hem duidelijk dat voor mij het verhaal ophield en ging daarna op stap. Als ik toch al eenmaal in Vietnam zit, maak ik er maar voor een paar dagen een leuke vakantie van!”

Het bleef echter niet bij die paar dagen “vakantie”. De volgende dag werd zijn manager plots gebeld door Binh Duong: “waar is die Nederlandse verdediger? Hij beviel ons eigenlijk wel, dus als hij terug komt hoeft hij maar één wedstrijd te spelen en dan krijgt hij een contract.” Normaal gesproken moet een speler minimaal twee weken op stage, voordat een contract ter sprake komt. De eigenwijze beslissing om op eigen houtje te vertrekken na het zien van de slechte leefomstandigheden had blijkbaar indruk gemaakt. Het verhaal kwam toch niet ten einde: Danny ondertekende een contract voor anderhalf jaar. De eerste maanden in Binh Duong gingen wel moeizaam. Het was lastig om te wennen aan de taal en het klimaat, waardoor hij minder goed in zijn vel zat en dat had negatieve invloed op zijn wedstrijden. Danny: “Het klikte totaal niet tussen mij en Vietnam. Die band heeft echt moeten groeien. Hoe ik het zie, is dat je Vietnam moet snappen voordat je het leuk kan gaan vinden. Gaandeweg ging het gelukkig wel steeds beter: ik leerde een paar woorden en kon daardoor meer praten met de jongens; de wedstrijden gingen beter; kranten gingen positiever over me schrijven; ik kon ook meer eten… In het begin lustte ik bijna niks! Ik ben blij dat ik heb doorgezet. Voor hetzelfde geld had ik na twee maanden opgegeven, dan zou mijn leven er nu heel anders uit zien. Inmiddels woon in vierenhalf jaar in Vietnam en vind ik het nu allemaal fantastisch. Vooral nadat ik Myno heb leren kennen; mijn thuis is niet meer in Nederland, maar het is nu in Vietnam.”

Waar hebben jullie elkaar eigenlijk ontmoet? Myno: “In een café in Ho Chi Minh. Ik zat daar met vrienden en zag Danny een stukje verderop zitten. Terwijl ik in gesprek was, hadden we veel oogcontact met elkaar. Ik dacht bij mezelf, wie is toch die knappe, buitenlandse jongen die zo naar me staart? Ik viel bijna flauw,” grapt ze, “die avond wisselden we telefoonnummers uit.” In het begin deden ze het rustig aan en zagen elkaar hooguit één keer per maand. Danny had natuurlijk zijn voetbaltrainingen en Myno had veel optredens. Het meeste contact was via Skype en Whatsapp. Vooral dat laatste werkte in het voordeel van Myno die tijdens het chatten op Google Translate kon spieken, omdat haar Engels niet goed was. Na een tijdje besloot ze maar wat Engelse lessen te nemen en dat vergemakkelijkte het praten aanzienlijk. Ze werden verliefd.

Myno: “Het klikt goed met beide schoonfamilies, zelfs als ik in Nederland bij zijn opa en oma zit en we elkaar niet begrijpen. Iedereen steunt onze relatie. Ik denk dat Danny heel eenzaam was in zijn eerste periode in Vietnam. Ik heb dat ook wel een beetje wanneer ik in Nederland ben. Zijn grootouders kunnen geen Engels, dus ik zit gewoon in de woonkamer met ze te glimlachen. Maar ze zijn wel ontzettend lief en heel makkelijk in omgang. In dat opzicht ben ik wel blij dat ik een Westerse schoonfamilie heb. In Vietnam verwachten ze van schoondochters dat zij maar alles in het huishouden doen. Ik kook trouwens wel graag voor ze hoor, maar het is fijn dat er geen druk op ligt.”

Over steun gesproken, jullie hebben veel fans in Vietnam. Wat vind je van al die aandacht? Myno: “Om eerlijk te zijn; kranten schrijven positief over ons, dus ik heb er eigenlijk geen last van. In het begin had ik wel veel sexy fotoshoots en Danny had daar best moeite mee. Hoewel ik het gewoon als onderdeel van mijn werk zie, kon Danny weleens jaloers worden. Nu hou ik er meer rekening mee en zet ik ook niet meer alles online. De meest pikante foto’s blijven in mijn privécollectie.” Danny: “Wat mij betreft, in het begin had ik al die aandacht niet eens in de gaten. Ik werd wel regelmatig geïnterviewd, maar ik had er helemaal geen benul van wat voor kanalen of bladen dat waren. Nu heb ik dan in de Voetbal International gestaan en daardoor meer aandacht in Nederland gekregen. We hebben ook onlangs een reportage gehad in Hart van Nederland; dat is iets waar ik zelf mee ben opgegroeid, dus dan besef ik die media-aandacht wat meer. Ik vind het allemaal wel leuk.” Er is echter ook een keerzijde aan de media-aandacht. “In Vietnam krijg je heel veel leuke reacties. In de vier jaar dat ik daar voetbalde, zaten er van de 10.000 reacties wel 9.999 leuke reacties tussen. Dat Voetbal International artikel is ook online gezet en hoewel daar ook wel leuke reacties tussen zaten, er waren gelijk mensen die opmerkingen maakten als “wie denkt hij wel niet dat hij is” en “hij denkt echt dat hij een ster is”. Terwijl ik dat helemaal nooit heb gezegd. Ik zie daar in wel het verschil: in Vietnam vinden ze het allemaal maar leuk en hier in Nederland is het meer een afzeikcultuur.” De negatieve reacties maken verder niet veel indruk op Danny, evenmin de inmiddels doodgegooide vergelijking met de Beckhams. Danny: “Voor mij is het moeilijk om aangekondigd te worden als de Vietnamese David Beckham. De enige overeenkomst is dat we een koppel zijn dat in de voetbal- en muziekwereld zit.” Myno vangt het woordje ‘Beckham’ op en voegt er aan toe: “Soms worden we in Vietnam op straat herkend. Dan hoor ik mensen zeggen “Hey, daar loopt dj Myno. En ze is met David Beckham!” Laten we het over een andere David hebben. Hoe gaat het met jullie zoontje? Danny: “Hij is erg lief. Het enige wat hij doet is eten en slapen. Daar hebben we het wel mee getroffen. Alsnog bestaat het leven van jonge ouders uit weinig slapen. Vooral in het begin, toen hij nog om de drie uur wakker werd om te eten. Het klinkt ontzettend cliché, maar een kind krijgen is echt het mooiste wat er is en het wordt alleen nog maar mooier.” Op wie lijkt hij het meest? “Op mij”, antwoordt Danny zonder na te hoeven denken. Myno beaamt dit: “Als twee druppels water. Het is net alsof ik een ingehuurde draagmoeder ben geweest, want de baby is 100% een kopie van Danny.” Voor Myno, die soms ook optredens in het buitenland heeft, betekent het moederschap niet dat ze stopt met werken. Sterker nog, gelijk na de bevalling heeft ze weer nieuwe boekingen gekregen. “Gelukkig krijg ik veel hulp van mijn ouders en passen zij op David als ik moet draaien.”

Hebben jullie binnenkort nog nieuwe avonturen op de planning staan? Danny: “Nee, hoewel ik eerst ook wel andere Aziatische landen had willen proberen om te voetballen. Maar nu ben ik 30, heb ik een kleine en begin ik een beetje naam op te bouwen in Vietnam. Misschien kan ik de komende jaren in Vietnam blijven voetballen.” Ik heb gehoord dat veel Vietnamezen graag willen dat jij voor het Vietnamees elftal gaat spelen. “Als dat zou mogen… Dat zou mij super lijken. Ik heb al een Vietnamees paspoort en mijn vrouw en kind zijn Vietnamees. Spelen in het nationaal elftal zou voor mij een kers op de taart zijn. Ik heb zoveel te danken aan Vietnam, zoveel mooie herinneringen. Vietnam heeft me ook een familie en een carrière gegeven. Ik zou het volkslied gelijk uit mijn hoofd leren!” De nederigheid, maar tegelijkertijd ook de vastberadenheid in zijn stem bewijzen dat het land, waar hij ooit zo’n slechte start mee heeft gehad, een bijzonder plekje in zijn hart heeft veroverd. Ook heeft hij al een klein beetje nagedacht over de verre toekomst: sowieso wil hij in Zuidoost Azië blijven wonen. Misschien als voetbalmanager of hij opent zijn eigen sportbar. Opvallend is dat Myno’s voorkeur juist uit gaat naar Nederland. “Danny heeft al een aantal jaren in Vietnam gewoond, ver weg van zijn familie, dus het lijkt me goed als we een tijdje in Nederland wonen wanneer hij klaar is met voetballen. Ik wil zelf ook graag de Nederlandse cultuur leren kennen en wie weet kan ik hier nog verder groeien in de muziek als producer. In Vietnam ken ik het nou wel al en Nederland is een walhalla voor de dance scene. Maar goed, of het mij gaat lukken… Tegen die tijd ben ik ook de jongste niet meer en bovendien ben ik al moeder en diep gesetteld,” lacht ze. “Ach weetje, uiteindelijk willen we wonen in een omgeving die het beste is voor ons kindje.” Danny knikt instemmend: “Waar Myno is, daar is mijn thuis.”